Aan:

Amnesty International

Human Rights Watch

Defence For Children

Cordaid

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

College voor de Rechten van de Mens

CC:

Minister -President Rutte

Leden van de Tweede kamer

 

Geachte heer, mevrouw,

Ik schrijf u deze brief namens de Stichting Buitenparlementaire Onderzoekscommissie 2020 (BPOC2020). Deze stichting is in de zomer van 2020 opgericht door voorzitter Pieter Kuit en zijn dochter Jade Kuit. Dit in verband met onze toenemende zorgen met betrekking tot de maatregelen die in Nederland, maar ook in vele andere landen overal ter wereld, door overheden worden getroffen in het kader van de uitbraak van COVID-19, de ziekte veroorzaakt door het Sars-Cov-2 virus.

De BPOC2020 doet onderzoek naar de getroffen maatregelen en de effectiviteit en proportionaliteit hiervan. Dit doen wij door mensen aan het woord te laten die veelal door andere platformen (zoals YouTube, Twitter, LinkedIn en andere social media websites, maar ook bijvoorbeeld door medische tijdschriften) gecensureerd worden. Het betreft hier artsen, (micro)biologen, data-analisten, psychologen, maatschappelijk werkers, maar ook bijvoorbeeld ouders van schoolgaande kinderen en eigenaren van horecabedrijven die vertellen welke effecten de lockdowns en andere maatregelen hebben op de kwaliteit van hun leven en dat van hun kinderen. Alle verhoren worden live gestreamd en later geüpload. Ook wordt van ieder verhoor een schriftelijk verslag gemaakt, dat ter plekke ondertekend wordt. Op deze manier hopen wij de maatregelen en de gevolgen ervan in kaart te brengen evenals een archief aan te leggen dat nuttig kan zijn in de toekomst.

In maart 2021 hebben wij een zogenoemde tussenrapportage uitgebracht, waarin alle verhoren tot dan toe zijn opgenomen. Aan deze tussenrapportage hebben wij enkele voorlopige conclusies verbonden, welke bij deze brief gevoegd zullen worden (bijlage 1).

De reden voor dit schrijven is het feit dat wij ons in toenemende mate verbazen over het feit dat organisaties zoals de uwe, wier reden van bestaan het waken over fundamentele mensenrechten behoort te zijn, weinig tot geen kritiek hebben geuit op het beleid dat sinds maart 2020 wereldwijd wordt uitgerold. De maatregelen zijn in toenemende mate repressief en buitenproportioneel, en hebben bovendien een nieuwe dimensie gekregen sinds de wereldwijde uitrol van de vaccinatiecampagnes tegen COVID-19. Wij als commissie, maar ook als mensen, maken ons inmiddels ernstig zorgen over de status van fundamentele mensenrechten wereldwijd. In deze brief willen wij onze zorgen onderbouwd uiteenzetten en hopelijk de aandacht van mensenrechtenorganisaties vragen voor deze onzes inziens zeer gevaarlijke ontwikkeling.

  1. Censuur en (social) media
    Al sinds het begin van de zogenoemde coronacrisis in het voorjaar van 2020 lijkt er een toenemende stigmatisering op te treden van kritiek op het coronabeleid en de mensen en/of organisaties die hiervoor verantwoordelijk zijn. Ook wordt het stellen van (terechte) vragen en het twijfelen aan informatie van officiële bronnen afgekeurd en geridiculiseerd. Wij hebben geconstateerd dat de reguliere media in Nederland, maar ook op veel andere plaatsen ter wereld, een zeer dubieuze en kwalijke rol spelen bij het in stand houden van deze ontwikkeling. In Nederland heeft de hoofdredacteur van de Volkskrant, een van de meest gelezen kranten van Nederland, zich in maart 2020 al op een zeer verontrustende manier uitgelaten over dit onderwerp: volgens hem hoeven kranten geen ruimte te bieden voor kritische geluiden, omdat de gemiddelde burger niet intelligent genoeg is om de situatie zelf te beoordelen. Volgens hem is het belangrijker om als land “een lijn te trekken”. (bijlage 2)

Het belang van persvrijheid voor een goed functionerende democratische rechtsstaat wordt door mensenrechtenorganisaties – terecht – regelmatig benadrukt. Niet zelden gaat het dan over niet-Westerse landen zoals Rusland of Turkije, die erom bekendstaan kritische journalistiek niet te dulden en de persvrijheid aan banden te leggen. Gedurende de coronacrisis heeft Amnesty International zich wel uitgesproken over de tegenwerking en bedreiging van kritische journalisten. Echter, ook in dergelijke stukken wordt veelvuldig gewezen naar andere, veelal niet-Westerse landen zoals Rusland, Egypte, Venezuela, Turkije, India, en Palestina. Over de toenemende censuur die eveneens plaatsvindt in (West-) Europa en de Verenigde Staten wordt eigenlijk met geen woord gerept. Er wordt beschreven hoe journalisten in de eerder genoemde landen worden vastgezet en/of met de dood bedreigd voor het kritisch schrijven over coronabeleid, maar het feit dat de reguliere media in het zogenoemde “vrije Westen” in toenemende mate eigendom zijn van dezelfde bedrijven en beïnvloed worden door dezelfde lobbyisten wordt op geen enkel moment benoemd. Kritische stukken worden onder het mom van “desinformatie” geweerd van nieuwssites en uit kranten. Wetenschappers die voorheen aanzien en respect genoten worden door de reguliere media geridiculiseerd in “artikelen” die niet zelden op de persoon spelen in plaats van zogenoemde “desinformatie” inhoudelijk te weerleggen. Wie enige bekendheid verwerft als zijnde een “coronacriticus” moet voorbereid zijn op afstraffing door de pers en permanente reputatieschade.

Ook zijn er talloze voorbeelden te benoemen van situaties waarin een krant en/of nieuwssite het publiek onjuist informeert of opzettelijk op het verkeerde been zet. Zo gebruikte de New York Post een foto van een gaslek om de zogenoemde golf van coronadoden in India te illustreren:

Deze foto was op dat moment al bijna een jaar oud en had niets te maken met de coronasituatie in India. Na kritiek wijzigde de New York Post de foto en de titel van het artikel. Dit ontslaat hen echter niet van verantwoordelijkheid voor het foutieve beeld dat zij schetsen van de situatie.

Het probleem beperkt zich echter niet tot kranten en nieuwssites. Ook op sociale media zoals Facebook, Instagram en Twitter kan men zich niet langer kritisch uitlaten over het coronabeleid zonder daarvan gevolgen te ondervinden. “Coronakritische” artikelen, afbeeldingen, video’s et cetera worden inmiddels bijna zonder uitzondering voorzien van zogenoemde disclaimers. Niet zelden worden ze verwijderd en/of wordt degene die ze geplaatst heeft de toegang tot zijn/haar account ontzegd. De BPOC2020 heeft inmiddels zelf mogen ondervinden dat het plaatsen van gesprekken met “coronacritici” op YouTube ertoe kan leiden dat een kanaal volledig en zonder waarschuwing wordt verwijderd.

Dit alles is onzes inziens een duidelijke schending van artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Wij willen benadrukken dat artikel 19 van de UVRM ook het recht op het onbelemmerd ontvangen van informatie omvat. Burgers hebben het recht om juist en volledig te worden geïnformeerd door de overheid. Zij hebben het recht om ingrijpende maatregelen zoals die de afgelopen twee jaar zijn doorgevoerd op een volledige en transparante manier onderbouwd te zien, en om hun kritiek onbelemmerd te kunnen uiten, zowel in de pers als op het internet. Dat is op dit moment geenszins het geval.

  1. Kinderen, jongeren en onderwijs
    Het onderwijs behoort tot de sectoren die het hardst getroffen zijn door de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus. In Nederland was er vanaf 15 maart 2020 een lockdown van kracht, waarbij alle scholen uiteindelijk tot en met 3 mei gesloten bleven. In deze periode kregen schoolgaande kinderen (gedeeltelijk) vervangend onderwijs via internet, maar was er van fysieke ontmoetingen en/of sociaal contact met leeftijdsgenoten weinig tot geen sprake. Zelfs de eindexamens voor het middelbaar onderwijs werden in 2020 in Nederland geschrapt.
    Ook nadat de scholen weer waren geopend, bleef er voor de meeste leerlingen regelmatig sprake van lesuitval. Dit is op het moment van schrijven nog altijd het geval. Vaak houdt dit verband met het testbeleid dat na de eerste lockdown werd uitgerold; leerlingen en docenten moeten veelvuldig in thuisquarantaine wanneer blijkt dat zij in contact zijn geweest met een persoon die positief is getest op het coronavirus, ook wanneer zij geen symptomen vertonen. Daarnaast is fysiek onderwijs sinds de coronacrisis gebonden aan verscheidene regels en voorwaarden. Zo worden leerlingen geacht anderhalve meter afstand van elkaar te bewaren en gold er vanaf 1 december 2020 op de meeste middelbare scholen een plicht om een mondkapje te dragen. Vanaf 16 december werd opnieuw een lockdown ingevoerd en waren de scholen wederom een kleine twee maanden gesloten.

Ook op hogescholen en universiteiten was er in 2020 weinig tot geen sprake van fysiek onderwijs. Na de eerste lockdown werden er bij veel studies tot na de zomervakantie geen fysieke colleges gegeven en vond vervangend onderwijs online plaats. Daarna hadden onderwijsinstellingen rekening te houden met de verplichte anderhalve meter, die erin resulteerde dat de collegezalen slechts voor 20-30% gevuld konden worden. Zowel leerlingen als docenten vielen (en vallen) regelmatig uit als resultaat van het eerder genoemde testbeleid (ook wanneer zij niet ziek zijn).

Dit alles heeft voor kinderen en jongvolwassenen schrijnende gevolgen die vermoedelijk nog lang zullen doorwerken. Een groeiend aantal onderzoeken heeft inmiddels uitgewezen dat er tijdens de eerste lockdown in Nederland een toename heeft plaatsgevonden van kindermishandeling en huiselijk geweld. Zo publiceerde het Instituut Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Leiden een uitgebreid rapport waaruit deze toename bleek en waarin wordt geadviseerd de negatieve effecten van het sluiten van scholen en kinderopvang op de thuissituatie van kinderen mee te nemen in beslissingen over beleidsvorming (bijlage 3). Ook blijken de coronamaatregelen te leiden tot een toename van psychologische problemen en gedragsproblemen bij kinderen. Voorbeelden hiervan zijn angstklachten, depressie, verveling, concentratieproblemen en angst voor COVID-19 (bijlage 4). Daarnaast wordt ook de fysieke levensstijl van kinderen negatief beïnvloed door de coronamaatregelen; het Maastricht UMC gaf in september 2020 aan dat kinderen sinds het begin van de coronacrisis als gevolg van de sluiting van scholen en sportclubs ongezonder eten en minder bewegen. Ook in andere landen treden deze gevolgen op. Als voorbeeld halen wij een uitgebreid onderzoek aan dat in 2020 in Oostenrijk werd uitgevoerd, waaruit blijkt dat de coronamaatregelen hebben geleid tot een verslechterde conditie en een hoger BMI bij kinderen (bijlage 5).

Ook tijdens ons eigen onderzoek worden wij geconfronteerd met de gevolgen van het coronabeleid voor kinderen. Vanaf december 2020 hebben wij als commissie de getuigenissen van verscheidene ouders van schoolgaande kinderen opgenomen. Enkele voorbeelden hiervan vindt u als bijlage bij deze brief (bijlage 6). Deze ouders geven allen aan dat hun kinderen op verschillende manieren negatief beïnvloed worden door de coronamaatregelen, en sinds december 2020 in het bijzonder door de mondkapjesplicht op scholen. Ook hebben zich bij ons twee leerlingen gemeld die in 2020 aan een nieuwe mbo-opleiding zijn begonnen. Zij hebben gezamenlijk verteld over de negatieve gevolgen van het coronabeleid op de kwaliteit van het onderwijs dat zij genieten. Het schriftelijke verslag hiervan zal eveneens bij deze brief worden gevoegd (bijlage 7).

Ook bij jongvolwassenen hebben het gebrek aan fysiek onderwijs, de sluitingen van sportclubs en het gebrek aan sociaal contact met leeftijdsgenoten grote gevolgen gehad voor het psychisch welzijn. In september 2021 meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat een kwart van de jongvolwassenen (18-25 jaar) in de eerste helft van 2021 mentaal ongezond was. In juli 2021 luidde een hoogleraar van de Erasmus Universiteit in Rotterdam ook al de noodklok over de mentale toestand van jongeren en jongvolwassenen; uit onderzoek waarbij zij betrokken was blijkt dat er sinds mei 2020 een sterke toename plaatsvindt van psychische problemen bij jongeren van 16-24 jaar (bijlage 8).

Onzes inziens is het inmiddels zeer duidelijk dat de effecten van de coronamaatregelen op de kwaliteit van het onderwijs in Nederland, maar ook in andere delen van de wereld, zeer zorgelijk zijn. Het gebrek aan fysiek onderwijs, sociaal contact en lichaamsbeweging leidt voor veel kinderen en jongeren tot een verslechtering van zowel hun fysieke als mentale welzijn. Ook is er sprake van grote achterstanden wat betreft schoolwerk, en ervaren veel kinderen stress van de geldende coronamaatregelen wanneer zij wel naar school gaan. Zij geven aan dat de sfeer op school is veranderd; niet elke docent is even geduldig en/of vriendelijk bij het handhaven van de anderhalve meter afstand of de mondkapjesplicht, en kinderen zijn in wisselende mate bang om elkaar of hun familie met het coronavirus te besmetten.

De situatie die als gevolg van het coronabeleid met betrekking tot het onderwijs is ontstaan, is een schending van artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en beginonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal gelijkelijk openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.
Sinds maart 2020 zijn alle vormen en niveaus van onderwijs afwisselend niet tot beperkt beschikbaar geweest. Ondanks het feit dat lager onderwijs verplicht is, brachten veel schoolgaande kinderen hun dagen in 2020 thuis door en kregen honderdduizenden kinderen in 2020 een diploma van hun middelbare school zonder dat zij daarvoor examens hadden afgelegd. Het online thuisonderwijs dat ter vervanging van fysiek onderwijs werd aangeboden was in veel gevallen niet afdoende en/of een te grote belasting voor ouders, die lang niet altijd in de gelegenheid waren om thuis te werken en hun kinderen te begeleiden.

Wij willen de lezer eveneens wijzen op artikel 28 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind:

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs, en teneinde dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, verbinden zij zich er met name toe:
  2. primair onderwijs verplicht te stellen en voor iedereen gratis beschikbaar te stellen;
  3. de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aan te moedigen, met inbegrip van algemeen onderwijs en beroepsonderwijs, deze vormen voor ieder kind beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken, en passende maatregelen te nemen zoals de invoering van gratis onderwijs en het bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk;
  4. met behulp van alle passende middelen hoger onderwijs toegankelijk te maken voor een ieder naar gelang zijn capaciteiten;
  5. informatie over en begeleiding bij onderwijs- en beroepskeuze voor alle kinderen beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken;
  6. maatregelen te nemen om regelmatig schoolbezoek te bevorderen en het aantal kinderen dat de school vroegtijdig verlaat, te verminderen.
  7. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te verzekeren dat de wijze van handhaving van de discipline op scholen verenigbaar is met de menselijke waardigheid van het kind en in overeenstemming is met dit Verdrag.

Kinderen en jongeren hebben inmiddels al bijna twee jaar zeer gelimiteerd toegang tot onderwijs. Dit heeft grote gevolgen gehad voor verscheidene aspecten van hun leven en zal, gezien het feit dat het einde van de coronacrisis nog niet in zicht is, vermoedelijk nog veel gevolgen hebben in de toekomst.

3.Gevolgen voor ondernemers
Als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus heeft een groot aantal ondernemers aanzienlijke (financiële) schade geleden. Met name horecabedrijven hebben ernstig te lijden gehad onder met name de lockdowns, maar ook onder de restricties die verbonden waren aan de heropening van dergelijke ondernemingen. Tijdens de eerste lockdown, die in Nederland op 15 maart 2020 van kracht werd, waren alle restaurants, cafés, lunchrooms en dergelijke gesloten. Ook de horecavoorzieningen van hotels waren gesloten, hoewel de hotels zelf open mochten blijven. Ook andere voorzieningen, zoals casino’s en contactberoepen, werden gesloten. Deze situatie duurde tot juni 2020. Hierna moesten ondernemers werken onder ingrijpende restricties, zoals de verplichte anderhalve meter afstand, waardoor het aantal mensen dat in een winkel of horecazaak aanwezig mocht zijn ernstig werd beperkt. In de horeca gold bovendien een aanzienlijk aantal extra regels met betrekking tot het aantal mensen dat aan een tafel mocht plaatsnemen, de afstand tussen tafels, het afnemen van zogenoemde “gezondheidschecks” et cetera. Dit leidde logischerwijs tot een aanzienlijk verlies aan omzet. Ook werden ondernemers vanaf december 2020 geacht de door het kabinet ingevoerde mondkapjesplicht te handhaven, wat leidde tot gespannen situaties. Vanaf oktober 2020 werd de horecasector door het kabinet opnieuw gesloten. Volgens het AD was op dat moment de helft van alle horecazaken technisch al failliet. Vanaf 15 december 2020 gold in Nederland wederom een lockdown, waarbij alle niet-essentiële winkels, contactberoepen, casino’s en sportlocaties eveneens werden gesloten.
Hoewel ondernemers gedurende het grootste gedeelte van de coronacrisis aanspraak konden maken op verscheidene steunpakketten, waaronder de TOZO-regeling, de NOW-regeling, en de TVL-regeling, bleek deze steun in de praktijk in veel gevallen niet op te wegen tegen de geleden schade. Daarnaast kon een aanzienlijk aantal ondernemers als gevolg van rigide regels en voorwaarden helemaal geen aanspraak maken op dergelijke steunpakketten. De NOS meldde in december 2020 dat veel startende ondernemers geen coronasteun ontvingen en als gevolg hiervan in de financiële problemen raakten. En hoewel het aantal faillissementen in 2021 mee lijkt te vallen, hebben veel ondernemers de coronacrisis alleen overleefd door hun pensioen en/of hun spaargeld te gebruiken. Dat meldde RTL Nieuws in oktober 2021. Gezien het feit dat het aantal restricties op het moment van schrijven weer gestaag toeneemt en de horeca alleen overdag haar deuren mag openen, vrezen wij voor de gevolgen in de nabije toekomst.

Als deel van ons eigen onderzoek hebben wij de getuigenissen afgenomen van een aantal (horeca-)ondernemers die ons verteld hebben welke gevolgen het coronabeleid heeft gehad voor hun onderneming en in het verlengde daarvan voor hun persoonlijke leven. Een aantal voorbeelden hiervan vindt u als bijlage bij deze brief (bijlage 9).

Duidelijk is dat de financiële positie van een groot aantal mensen de afgelopen twee jaar als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus aanzienlijk is verslechterd. Onderzoek heeft meermaals aangetoond dat financiële problemen niet alleen in verband worden gebracht met een lagere levensstandaard, maar ook een risicofactor kunnen vormen voor kindermishandeling en huiselijk geweld. Dit verband is aangetoond door verscheidene onderzoeken, een voorbeeld waarvan bij deze brief zal worden gevoegd (bijlage 10).

De huidige situatie met betrekking tot ondernemers raakt aan artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens:

  1. Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
  2. Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.
  3. Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.
  4. Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.

De afgelopen twee jaar zijn ondernemers op een verscheidenheid aan manieren belemmerd om vrij te ondernemen en zichzelf en hun eventuele gezinnen van een menswaardig bestaan te verzekeren. De steunpakketten die werden aangeboden hebben ondernemers in veel gevallen niet afdoende gecompenseerd voor hun geleden verliezen.
Het recht op vrijheid van ondernemerschap wordt bovendien erkend in artikel 16 van het Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

  1. Politiegeweld en schending van het demonstratierecht
    Het beleid ten aanzien van COVID-19 heeft vrijwel overal ter wereld geleid tot felle kritiek op overheden en organisaties zoals de World Health Organization (WHO), het World Economic Forum (WEF), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en buitenlandse equivalenten daarvan, en vooraanstaande personen en experts waaronder Bill en Melinda Gates, Anthony Fauci en anderen. Burgers die hun fundamentele mensenrechten steeds verder in het gedrang zien komen doen pogingen om hun kritiek te uiten en gebruik te maken van het demonstratierecht. Zoals eerder in deze brief benoemd vormt het uiten van kritiek op het coronabeleid in de pers en op sociale media in toenemende mate een probleem. Echter, ook het recht op demonstratie wordt sinds het begin van de coronacrisis steeds verder beperkt en aan banden gelegd.

In Nederland ontstond er vanaf het voorjaar van 2020 een nog altijd groeiende beweging van mensen met kritiek op het coronabeleid van de regering. Vanaf juni 2020 was er met toenemende regelmaat sprake van demonstraties, die vanaf het begin gepaard gingen met excessief geweld door de politie en de Mobiele Eenheid (ME), ook wanneer de demonstranten geen agressief of gewelddadig gedrag vertoonden. Demonstraties tegen het coronabeleid werden in veel gevallen beperkt, verplaatst of zelfs verboden, terwijl demonstraties van andere organisaties (voorbeelden: Black Lives Matter, klimaatdemonstraties) over het algemeen werden toegestaan. Hierbij werd in vrijwel alle gevallen verwezen naar de volksgezondheid en het vermeende gevaar van grote bijeenkomsten voor het aantal coronabesmettingen. Echter wordt deze bewering voor zover wij weten niet eenduidig ondersteund door de wetenschap. In Nederland heeft tot zo ver geen van de demonstraties die de afgelopen twee jaar hebben plaatsgevonden geleid tot waarneembare uitbraken van het coronavirus.

Het geweld van de politie en de ME jegens demonstranten en overtreders van de coronamaatregelen is de afgelopen anderhalf jaar toegenomen in frequentie en intensiteit. Omdat wij ons als commissie zorgen maakten over deze ontwikkeling, hebben wij hier een apart onderzoek naar ingesteld. Dit onderzoek bestond onder andere uit het opnemen van (anonieme) getuigenissen van politieagenten in actieve dienst die gewetensbezwaren hadden tegen het beleid van de politieorganisatie jegens zogenoemde coronademonstranten. Meer dan tachtig agenten hebben een getuigenis afgelegd, de schriftelijke versies waarvan terug te vinden zijn op de website van de commissie. Uit deze tachtig getuigenissen heeft de commissie een conclusie getrokken, die als bijlage bij deze brief gevoegd zal worden (bijlage 11). Het onderzoek toonde onder andere aan dat er sinds de coronacrisis een verharding heeft plaatsgevonden in het beleid van de politie, met name ten aanzien van coronademonstranten. De politie en ME gebruiken op instructie van hun leidinggevenden buitensporig en onnodig geweld tegen burgers. Arrestanten worden in veel gevallen slecht behandeld; zij worden onder andere uitgescholden, seksueel geïntimideerd, of zonder voedsel of water vastgehouden. Binnen de politieorganisatie is een cultuur ontstaan van wantrouwen en stigmatisering van zogenoemde coronakritiek. De geldende coronaregels worden, met name in grotere steden, op hardhandige en repressieve manieren gehandhaafd. Niet zelden worden mensen zonder afdoende reden gearresteerd en vastgehouden. Een aantal burgers die van dit toenemende politiegeweld slachtoffer zijn geworden, hebben in mei 2021 bij onze commissie een getuigenis afgelegd. Deze getuigenissen zullen bij deze brief gevoegd worden (bijlage 12).

Het beleid van de Nederlandse politie is op meerdere plaatsen in strijd met de Politiewet. Hierin staat onder andere dat geweld door de politie altijd proportioneel dient te zijn en alleen gebruikt dient te worden wanneer het beoogde doel niet op een andere manier bereikt kan worden. Bovendien is het huidige beleid ten aanzien van demonstraties in strijd met artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Ook artikel 9 wordt regelmatig geschonden: Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning. Bovendien wordt het demonstratierecht beschermd onder artikel 20 van diezelfde Verklaring: Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering.

  1. Religie
    Ook het recht op vrijheid van godsdienst is de afgelopen twee jaar als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus in toenemende mate onder druk komen te staan. Dit recht wordt beschreven in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.

Hoewel kerken en andere gebedshuizen in Nederland tot dusver uitgezonderd werden van absolute restricties en de coronaregels voor dergelijke instituten slechts “dringende adviezen” zijn, ontkwamen met name christelijke kerken niet aan toenemende druk vanuit de overheid, de maatschappij en de pers. Gedurende de gehele coronacrisis golden er wisselende adviezen met betrekking tot het aantal bezoekers dat per kerkgebouw werd toegelaten en met betrekking tot de vraag of er wel of niet gezongen mocht worden. Deze adviezen kunnen door de overheid niet wettelijk worden afgedwongen. Desondanks werden gelovigen de afgelopen twee jaar veelvuldig bekritiseerd en op de hak genomen, met name op sociale media en in de pers. Rondom de Kerstdagen werden gelovigen door journalisten aan de schandpaal genageld omdat ze kerkdiensten bezochten, zoals in het voorbeeld hieronder waarbij kerkgangers in Staphorst door een journalist van de Telegraaf gefotografeerd en op Twitter gepubliceerd werden:

Ook met betrekking tot het recht op vrijheid van godsdienst spelen de media, zoals eerder in deze brief uitgebreid beschreven, een zeer kwalijke rol.

Op dit moment is er sprake van een zogenoemde “afspraak” tussen Minister Ferd Grapperhaus van Veiligheid en Justitie en de kerken in Nederland dat er per kerkgebouw niet meer dan dertig bezoekers tegelijk zullen worden toegelaten en het zingen geschrapt zal worden. Echter, omdat de overheid dit in het geval van kerken niet wettelijk kan afdwingen, wordt deze afspraak lang niet overal nageleefd. Dit komt deze kerken dan weer op kritiek van de pers te staan.

Christenen waren echter niet de enigen die door het coronabeleid beperkt werden in het uitoefenen van hun godsdienst; ook moslims ondervonden nadelen van de restricties. Zo konden bijeenkomsten rondom de ramadan in veel gevallen geen doorgang vinden, met name als resultaat van de restricties met betrekking tot het aantal bezoekers dat men thuis mag ontvangen. Ook was de jaarlijkse bedevaartstocht naar Mekka voor de meeste moslims in 2020 niet mogelijk als gevolg van de strenge restricties die de regering in Saoedi-Arabië instelde.

Niet alleen in Nederland stond de vrijheid van godsdienst onder druk; ook in de rest van de wereld werd dit recht veelvuldig beperkt. Zo werd in maart 2020 in Florida al een dominee gearresteerd voor het negeren van de op dat moment geldende lockdownregels. In oktober 2021 werd in Canada een dominee gearresteerd om vergelijkbare redenen. Dit zijn slechts twee van talloze voorbeelden van situaties waarin de vrijheid van godsdienst wereldwijd wordt belemmerd.

  1. Vaccinatiebeleid
    Zoals wij aan het begin van deze brief benoemd hebben, heeft het repressieve karakter van het coronabeleid een extra dimensie gekregen sinds de uitrol van de vaccinatiecampagnes tegen COVID-19 in Nederland en in andere landen over de gehele wereld. In Nederland werd in december 2020 begonnen met het toedienen van vaccins aan ouderen, waarna gedurende een periode van ongeveer een half jaar stapsgewijs iedereen ouder dan twaalf jaar voor een vaccinatie werd opgeroepen. In Nederland wordt voornamelijk gevaccineerd met de coronavaccins van farmaceuten Pfizer/BioNTech, Moderna, AstraZeneca en Janssen (een dochterbedrijf van het Amerikaanse Johnson&Johnson).
    Vanaf het begin van de vaccinatiecampagne spraken over de hele wereld kritische artsen, immunologen en andere experts hun zorgen uit over eventuele bijwerkingen van deze nieuwe vaccins, die in een ongeëvenaard tempo ontwikkeld en geproduceerd werden. Velen van hen benadrukten het feit dat met name de effecten op de lange termijn onmogelijk bekend konden zijn, en bekritiseerden het feit dat er leek te worden ingezet op vaccinatie van de gehele wereldbevolking. Dit was volgens velen van hen onverantwoordelijk. Het gebruik van de mRNA-techniek wordt eveneens door velen bekritiseerd. Ook in ons eigen onderzoek hebben wij getuigenissen opgenomen van experts die zich zorgen maken over de vaccinatiecampagne. Enkele voorbeelden zullen als bijlagen bij deze brief worden gevoegd (bijlage 13). Op onze website treft u in dat verband zoommetings aan met Robert Malone en Dr. MC. Cullough. Echter werden en worden dergelijke mensen vrijwel meteen door overheden en de reguliere pers weggezet als zijnde “antivaxxers”, “wappies”, kwakzalvers et cetera. In veel gevallen wordt hun (professionele) reputatie aangevallen in artikelen en posts op sociale media die in toenemende mate op de persoon spelen en/of verliezen zij hun arbeidsaanstelling als gevolg van hun kritiek op het coronabeleid en met name de nieuwe vaccinaties.
    In Nederland ontstond er, net als in veel andere landen, vanaf het begin van de uitrol van de coronavaccinaties een toenemende verdeeldheid in de samenleving tussen gevaccineerde mensen enerzijds en ongevaccineerde mensen anderzijds. Mensen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren worden al vanaf het begin van de vaccinatiecampagne door hun medeburgers en door de reguliere media geridiculiseerd en beticht van egoïsme. Ook worden zij ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van nieuwe varianten van het coronavirus. Het eerder in deze brief beschreven probleem van censuur in de pers en op sociale media is het afgelopen jaar in intensiteit toegenomen. Kritiek op de coronavaccinaties of de farmaceuten die deze vaccinaties produceren wordt veelvuldig verwijderd van websites en/of voorzien van disclaimers van zogenoemde factcheckers. Er lijkt een stigma te rusten op het bespreken van de (onomstotelijk aangetoonde) eerder misdaden begaan door de farmaceutische bedrijven die de coronavaccins produceren. Ook het feit dat de voorwaarden die overheden stelden aan de farmaceutische bedrijven in ruil voor het geld dat zij ontvingen voor de ontwikkeling van de vaccins een wassen neus zijn gebleken, is tot dusver zonder gevolgen gebleven.

Naarmate er meer mensen gevaccineerd werden, ontstond er eveneens discussie in de samenleving met betrekking tot de (eventuele) schadelijke effecten voor de gezondheid en sterfgevallen die de vaccinaties tot gevolg hadden. In de meeste landen is sprake van een organisatie die de bijwerkingen van medicijnen en vaccins registreert; in Nederland is dat het Bijwerkingencentrum Lareb, in de Verenigde Staten het Vaccine Adverse Event Reporting System (VAERS) en het Food and Drug Administration Adverse Event Reporting System (FAERS). Het FAERS is verbonden aan de Food and Drug Administration (FDA), de instantie die (tijdelijke) goedkeuringen verleent aan medicijnen en vaccins. Echter is al meer dan eens gebleken dat lang niet alle bijwerkingen bij dergelijke instanties gemeld worden; in 2019 constateerde het Amerikaanse Institute for Safe Medication Practices (ISMP) bijvoorbeeld dat slechts 1% van gemelde bijwerkingen uiteindelijk bij het FAERS terechtkomen. Ook in Nederland lijkt er sprake te zijn van onderrapportage van bijwerkingen. Hiervoor zijn meerdere oorzaken te benoemen. Ten eerste rust er al sinds het begin van de vaccinatiecampagne een stigma op de suggestie dat de nieuwe coronavaccins ernstige bijwerkingen zouden veroorzaken. Dit kan ertoe leiden dat mensen bepaalde klachten niet melden. Ook is uit ons eigen onderzoek gebleken dat artsen in veel gevallen niet bereid zijn bepaalde klachten bij het Lareb te melden als zijnde potentiële bijwerkingen van coronavaccinaties.

De BPOC2020 heeft sinds februari 2021 een eigen meldpunt waar mensen sterfgevallen en ernstige gezondheidsschade na vaccinatie kunnen melden. Dit meldpunt vindt u terug op www.meldpuntvaccinatie.nl. Op het moment van schrijven zijn er bij dit meldpunt 2499 meldingen gedaan van overlijdens na vaccinatie, evenals 3151 meldingen van ernstige gezondheidsschade. Omdat dit aantal aanzienlijk hoger ligt dan het aantal dat gemeld is bij Bijwerkingencentrum Lareb, probeert de commissie al geruime tijd om de bij ons gedane meldingen over te dragen aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en/of het Lareb. Helaas hebben zij tot dusver consistent geweigerd deze meldingen in ontvangst te nemen.

  1. QR-code

Ondanks het feit dat suggesties dat de uitrol van zogenoemde “coronapaspoorten” waarschijnlijk was in 2020 nog werden afgedaan als ongefundeerd, bevinden wij ons in Nederland inmiddels in een situatie waarin toegang tot steeds meer delen van de maatschappij exclusief is voorbehouden aan bezitters van een dergelijk paspoort, dat in ons land de vorm aanneemt van een QR-code. Vanaf eind september 2021 werd het bezit van deze QR-code verplicht voor toegang tot alle horeca en een nog altijd toenemend aantal andere voorzieningen. Zo werd de QR-code recent verplicht gesteld voor toegang tot alle vormen van binnensport, inclusief zwembaden. Dit resulteerde erin dat schrijnende foto’s de ronde deden van kinderen die zich, omdat hun ouders de toegang tot het zwembad werd ontzegd, na hun zwemles op straat moesten omkleden. En hoewel het op dit moment in Nederland juridisch nog niet mogelijk is om werkgevers naar de QR-codes van hun werknemers te laten vragen, gaan er al enige tijd geluiden op in de pers waaruit blijkt dat dit slechts een kwestie van tijd is. In verschillende landen, waaronder Italië, is een coronapas op de werkvloer al verplicht. In Frankrijk is vaccinatie tegen het coronavirus verplicht voor zorgpersoneel, en in het Verenigd Koninkrijk dreigen 50.000 medewerkers van verzorgingstehuizen hun baan te verliezen als gevolg van de vaccinatieplicht in de zorg. In Griekenland en Oostenrijk staan zogenoemde “vaccinweigeraars” in de toekomst flinke boetes te wachten. In november werd in Oostenrijk al een lockdown ingevoerd die alleen gold voor ongevaccineerde mensen. Het lijkt er in toenemende mate op dat ongevaccineerde mensen in de toekomst toegang tot alle aspecten van het publieke leven zal worden ontzegd.

Onzes inziens worden de risico’s van de nieuwe coronavaccinaties onvoldoende benadrukt en zelfs gecensureerd. Hierdoor kan er logischerwijs geen sprake zijn van geïnformeerde toestemming (informed consent). Bovendien wordt het onderzoek naar en het gebruik van andere middelen dan vaccinatie al sinds het begin van de coronacrisis in veel landen ontmoedigd, gestigmatiseerd en zelfs verboden. Zo hebben wij tijdens ons onderzoek de getuigenis opgenomen van een Nederlandse huisarts die na het boeken van meerdere successen met het middel hydroxychloroquine ernstig op de vingers werd getikt (bijlage 14). Ook hebben wij meerdere getuigenissen opgenomen over de positieve resultaten die behaald zijn met het middel ivermectine. Een voorbeeld hiervan zullen wij bij deze brief bijsluiten (bijlage 15). Dit is opvallend, omdat vaccinatie al sinds het begin van de coronacrisis (zelfs voordat de vaccins ontwikkeld waren) gepresenteerd wordt als de enige weg uit deze vermeende gezondheidscrisis. Vanaf het begin van de vaccinatiecampagne, maar des te meer sinds de uitrol van de QR-codes, wordt er intense en toenemende druk uitgeoefend op de bevolking om zich te laten vaccineren. Dit laat zich inmiddels gemakkelijk kwalificeren als zijnde ernstige drang of dwang. Ook wordt er geen enkele moeite gedaan om onnodig fysiek en mentaal leed en letsel te voorkomen; men kan zich laten vaccineren zonder afspraak en zonder dat er gevraagd wordt naar eventuele contra-indicaties. Bovendien is er geen enkele aanwijzing dat de overheid bereid zou zijn de vaccinatiecampagne te staken als er aanwijzingen zouden zijn dat deze zou leiden tot letsel, handicaps of overlijdens. Al deze zaken zijn in strijd met de Code van Neurenberg.

De uitrol van zogenoemde vaccinatiepaspoorten, in welke vorm dan ook, als voorwaarde voor deelname aan het publieke leven is in strijd met artikel 2 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: 1Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
Het is onzes inziens duidelijk dat het gegeven of een persoon wel of niet gevaccineerd is tegen een bepaalde ziekte hier valt onder “andere status.” Daarnaast is het invoeren van een vaccinatieplicht in welke sector van de maatschappij dan ook een schending van artikel 3 van dezelfde verklaring: Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.
Artikel 7 van de UVRM wordt eveneens geschonden. Dit artikel luidt: Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling. In het geval van een vaccinatieplicht op de werkvloer worden ongevaccineerde mensen niet op dezelfde manier door de wet beschermd tegen bijvoorbeeld ontslag als gevaccineerde mensen. Ongevaccineerde mensen worden niet op dezelfde manier beschermd tegen discriminatie en uitsluiting van bepaalde aspecten van het publieke leven als gevaccineerde mensen. Bovendien valt de stigmatisering en ridiculisering van ongevaccineerde mensen onzes inziens alleszins onder “ophitsing tot een dergelijke achterstelling.”

De commissie heeft kennis genomen van een bericht van Amnesty International over de nieuwe wetsvoorstellen die de uitrol van een zogenoemd 2G-systeem in Nederland mogelijk moeten maken. Het feit dat Amnesty zich uitspreekt over deze kwestie is natuurlijk positief te noemen. Echter vinden wij de inhoud van deze kritiek teleurstellend. De kritiek van Amnesty concentreert zich namelijk grotendeels op het feit dat de overheid onvoldoende onderbouwing levert voor de superioriteit van een 2G-systeem, waarbij alleen gevaccineerde mensen en mensen die hersteld zijn van een coronabesmetting een coronapaspoort krijgen, en een 3G-systeem, waar een coronapaspoort ook verkregen kan worden door middel van een PCR-test. Ook wordt benoemd dat invoering van een coronapaspoort op het werk niet geoorloofd is wanneer minder ingrijpende maatregelen ook afdoende zijn om de eventuele besmettingsrisico’s te vermijden.
Op geen enkel moment benoemt Amnesty het feit dat het gebruik van coronapaspoorten in het algemeen, ongeacht de vraag of er sprake is van een 2G-systeem of een 3G-systeem, in strijd is met de mensenrechten zoals eerder in deze brief benoemd. Wanneer mensen een negatieve PCR-test moeten laten zien om toegang te verkrijgen tot het publieke leven, moeten zij immers elke keer weer instemmen met afnemen van een dergelijke test, hetgeen uitgelegd kan worden als een schending van het recht op onschendbaarheid van het lichaam. Het stellen van dergelijke voorwaarden aan deelname aan het publieke leven wordt door de ernst van het coronavirus niet afdoende verantwoord. Ook wordt door mensenrechtenorganisaties waaronder Amnesty International al bijna twee jaar met geen woord gerept over de gegronde kritiek waaraan de PCR-test onderhevig is. Ook in ons eigen onderzoek hebben wij de getuigenissen afgenomen van meerdere experts die uitlegden waarom de PCR-test ongeschikt is voor gebruik op de wijze waarvan nu sprake is. Enkele voorbeelden zullen als bijlagen bij deze brief worden gevoegd (bijlage 16, bijlage 17). Gezien het feit dat de PCR-test de basis is voor de onderbouwing van maatregelen die de mensenrechten in Nederland maar ook in vele andere landen al bijna twee jaar lang ernstig onder druk zetten, vinden wij het op zijn minst opvallend te noemen dat mensenrechtenorganisaties zich hierover niet hebben uitgesproken. Niet alleen de onderbouwing van het 2G-systeem is onvoldoende; het gehele coronabeleid mist al twee jaar een afdoende onderbouwing.

 

Conclusie

De Commissie vindt het zeer zorgelijk te moeten concluderen dat mensenrechtenorganisaties wereldwijd zich niet of nauwelijks bezig schijnen te houden met de veelvuldige schendingen van mensenrechten en grondrechten ten aanzien van het COVID 19 beleid door verschillende overheden.

Wanneer wij ons beperken tot Nederland, zien wij een regering die mensenrechten met voeten treedt door een beroep te doen op een virus waarvan men niet aantoont dat het zo gevaarlijk is dat het dergelijke mensenrechtenschendingen rechtvaardigt.

Wanneer wij Amnesty International als voorbeeld nemen, zien wij een mensenrechtenorganisatie die zich slechts oppervlakkig bezighoudt met de mensenrechtenschendingen die op dit moment veelvuldig in Nederland plaatsvinden.

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn grondrechten en vrijheden niet zo ernstig geschonden als in deze tijd. Amnesty International en overige mensenrechtenorganisaties lijken vleugellam te zijn en niet in staat of bereid zich werkelijk  te (willen) verdiepen in de schendingen van de mensenrechten en daar effectief kritiek op te leveren.

Wanneer zich in Rusland of andere landen buiten de westerse wereld mensenrechtenschendingen voordoen, is Amnesty International de eerste om daar hevige kritiek op te leveren. Wanneer zich mensenrechtenschendingen in Nederland voordoen, die vaak ernstiger van aard zijn dan de schendingen die wij in de landen zien waar Amnesty International wel kritiek op levert, zwijgt Amnesty International of levert nauwelijks kritiek.

Een andere bekende mensenrechtenorganisatie, Human Rights Watch, laat ook niet of nauwelijks van zich horen.

Met de mensenrechtenschendingen die zich nu voordoen zou men een grote campagne verwachten van mensenrechtenorganisaties waarin zij zich tegen deze schendingen verzetten en de bevolking voorlichten dat het gedrag van de overheden ver over wettelijke en grondwettelijke grenzen gaat.

Naar de reden van het in gebreke blijven van de mensenrechtenorganisaties kan men slechts raden of vermoedens hebben. Wij zien hier echter een parallel met de mainstream media, die zich ook niet of nauwelijks kritisch uitlaat over het overheidsbeleid en de schendingen van de mensenrechten en grondrechten. Deze parallel vindt de Commissie verontrustend.

Kijkende naar landen waar mensenrechtenschendingen al tientallen jaren voorkomen, ziet men ook die parallel en wijst deze op een diepgaande bemoeienis van de overheid met de media en mensenrechtenorganisaties.

De Commissie ziet ook een parallel in het gedrag van de overheid en het gedrag van de mensenrechtenorganisaties. Overheid en mensenrechtenorganisaties stellen zich uiterst kritisch op naar bijvoorbeeld Rusland, Turkije en Noord-Korea en geven de indruk dat het in Nederland allemaal wel meevalt. Dit doet vermoeden dat de overheid en andere overheden in westerse landen een sterke sturende rol hebben in de organisatie en uitlatingen van de mensenrechtenorganisaties.

De Commissie concludeert dat er van sterke onafhankelijke mensenrechtenorganisaties geen sprake meer is.

Deze brief sturen wij naar alle mensenrechtenorganisaties en voegen wij toe aan het dossier dat wij gestuurd hebben naar het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Ook sturen wij deze brief naar Minister President Rutte en alle leden van de Tweede Kamer.

Pieter Kuit & Jade Kuit

Stichting Buitenparlementaire Onderzoekscommissie 2020 (BPOC2020)

 

Bijlagen:

bijlage 1

bijlage 2

bijlage 3

bijlage 4

bijlage 5

bijlage 6

bijlage 7

bijlage 8

bijlage 9

bijlage 10

bijlage 11

bijlage 12

Bijlage 13:

bijlage 13

bijlage 14

bijlage 15

bijlage 16

bijlage 17